|
Typerend
voor het Rif is de buitengewone verscheidenheid op het vlak van bevolking,
bestaansmiddelen en ruimtelijke verdeling. Daar waar belangrijke wegen
elkaar kruisen, is de Rifbevolking gediversifieerd: bij de Berbers voegden
zich Arabieren die zich vestigden langsheen de wegen ren westen van het
gebied. Dit vormde de basis van de geleidelijke arabisering van het
binnenland.
Bevolking:
In het Rif, een gebied met een oude sedentaire en rurale traditie,
vestigden zich heterogene bevolkingsgroepen. Door de diversiteit van de
bevolking onderscheidt dit massief zich van andere Marokkaanse
bergstreken. In het westen leven de Ghomara-Berbers die verwant zijn met
de Chleuh van de Hoge Atlas en beschouwd worden als de directe opvolgers
van de oudst gekende bewoners. In de buurt van Tanger leven de Ibala die
van Berbers afstammen maar reeds lange tijd gearabiseerd zijn en zich
vermengd hebben met andere geim-migreerde bevolkingsgroepen. Het gebergte
wordt ook bewoond door de Sanhaja die verwant zijn met de Berbers van de
centrale Atlas en de uit het oosten afkomstige Zénèten.
Bestaansmiddelen
en leefwijzen: In
het centrale Rif treft men ondanks het ongunstige milieu dichtbevolkte
streken aan. De gebieden met bruikbaar akkerland zijn erg beperkt door het
gebergte maar werden intensief bewerkt. Ten koste van veel energie wordt
elk stukje grond benut. De bewoners exploiteren de bergflanken door overal
uiterst kleine akkers aan te leggen.
Graangewassen kennen een grote verspreiding. Men teelt vooral gerst maar
ook rogge, waarvan het stro gebruikt wordt als dakbedekking. In de zeer
extensîeve veeteelt neemt de geitenstapet de belangrijkste plaats in.
Het
gearabiseerde westelijke Rif biedt een heel andere aanblik. Dit gebied is
vanwege de schrale gronden dunbevolkt. De veeteelt is er belangrijken Het
kweken van bomen beperkt zich vooral tot de valleien die aflopen naar de
Middellandse Zee.
Het zuidelijke Rif is veel dichter bevolkt hetgeen verband houdt met de
intensieve bewerking van de akkerlanden. De boom-kwekerij vormt de
belangrijkste activiteit en spitst zich vooral toe op olijfbomen. De
veestapel bestaat hoofdzakelijk uit runderen. Deze bestaansmiddelen zijn
echter en-toereikend om te voorzien in het levensonderhoud van de
bevolking met emigratie `als gevolg.
Het oostelijke Rif tenslotte wordt gekenmerkt door een tamelijk dichte
bevolking ineen ongunstige omgeving. Het land is droog en onbebost, de
opbrengst van de teelt is wisselvallig. De beperkte landbouwmiddelen
volstaan niet om te voorzien in het levens-onderhoud van de bevolking. Om
de magere opbrengsten van de gronden aan te vullen heeft men dus het
territorium moeten verlaten. De emigratie, die bier reeds een relatief
lange geschiedenis kent, is een noodzaak geworden.
Woonvormen:
De bevolking van het Rif woont hoofdzakelijk in dorpen op de
bergflanken. De lage huizen met één of twee verdiepingen zijn er op
beschutte plekken gebouwd zodat ze gespaard blijven van de sterke en
aanhoudende wind. De daken hellen af met het oog op de regens en de
sneeuwval tijdens de lange en strenge winters. De gevels die het meest aan
weer en wind worden blootgesteld, zijn bedekt met takken of met plaatijzen
Op de mediterrane bergilank die minder hoog is en waar minder regen valt,
zijn de muren van de huizen in pisé opgetrokken en overdekt met een plat
aarden dak. Dit weinig herbergzame milieu bracht de bevolking ertoe zich
te groeperen om grote ontginnings- en irrigatiewerken te ondernemen. Fr
worden twee types wooncomplexen onderscheiden: de gehuchten en de dchar.
In het hoogland liggen de gehuchten ver uit elkaar door de verkaveling van
de gronden en de beperkte woonmogelijkheden die de valleien bieden. Op
geringere hoogte is de bevolking dichter en de afstand tussen de gehuchten
kleiner.
Families of
met elkaar verwante lintages kunnen zich groeperen in dchars, Deze bestaan
vaak uit meerdere wijken die overeenstemmen met de verschillende familiale
groepen. De activiteit van de bewoners wordt er bepaald door hun afgelegen
woonplaats in het achterland. Ze bevoorraden zich op de nabijgelegen
wekelijkse markten. De dchar werden ingeplant rekening houdend met de
blootstelling van de bergflanken. De noordelijke flanken, die meestal
frisser zijn in de zomer, beschikken over meer grond en zijn bedekt met
een dichte begroeiing. De zuidelijke flanken daarentegen zijn meer
blootgesteld aan de zon en dus droger en minder beschermd door vegetatie.
Deze tegenstelling leidt er soms toe dat eenzelfde bevolkingsgroep gebruik
maakt van twee bewoonbare dorpen, het ene op de noordflank, het andere op
de zuidflank.
De
compacte woning is de overheersende woonvorm, met name in het centrum van
her Rif. Het gaat om een groot huis, meestal vierkant van vorm, met een
enkele verdieping en een dak met twee hellingen. De ruimtes zijn
opgetrokken rond een centraal overdekt gedeelte en de kamers gevenuit op
de patio of op het landschap. Een bufferzone isoleert het buis van de
bergflank waartegen het gebouwd is. Deze zone wordt vaak ingenomen door
een bouwwerk dat bestemd is voor de dieren en door bijgebouwen. (Beikhadir
1995:118).
De
verminderde productie van rogge veroorzaakte de geleidelijke verdwijning
van de traditionele strooien daken. Terwijl de vorm van het bouwwerk
behouden blijft, werden de strooien daken vervangen door golfplaten. Het
brandgevaar waaraan de huizen vaak waren blootgesteld, stimuleerde het
gebruik van dit nieuwe bouwmateriaal. De grote en snelle verspreiding van
zink in de streek wijst erop dat dit materiaal tegemoetkomt aan de noden
van de landbouwer in het Rif-gebergre. Het gebruik ervan ligt ten
grondslag aan een nieuwe architecturale identiteit die zich inbedde in het
regionale kader Door de inkoinensstijging van de bevolking, mede door
toedoen van de emigratie, deden er zich nog andere wijzigingen voor in het
woonconcept. Het betonblok bedreigt de integriteit van het
culruurlandschap en het architecrurale patrimonium van de streek.
Terras-vormige daken, vaak met acroteriën (sokkels aan fronton), vormen
een veel voorkomend kenmerk van de streekarchirectuur. |